Het begon allemaal op veertienjarige leeftijd. Waar veel leeftijdsgenoten zich vermaakten op racefietsen, raakte Mathijs Honig gefascineerd door de allereerste mountainbikes die in Nederland voet aan grond kregen. Zijn oom had een Giant Terrago. Eén keer lenen en hij was verknocht.
Op middagen werd het lokale bouwterrein in Heerhugowaard omgetoverd tot een persoonlijk testcircuit. Tussen de zandhopen, het bouwafval en de onverharde kavels ontstond de liefde voor het spelen met de fiets, het opzoeken van grenzen en het onder de knie krijgen van technische trucs. Dat ging met vallen en opstaan, letterlijk.
“Het begon puur met spelen op die zandbulten”, herinnert Honig zich. “Maar ongemerkt leg je daar wel de basis voor wat je later op de trails nodig hebt: gevoel voor balans, tractie en controle.”
Professionele roeping
Die jeugdige nieuwsgierigheid groeidein de loop der jaren uit tot een professionele roeping. Tussen 2003 en 2008 was hij MTB-bondscoach van de nationale jeugdselectie bij de KNWU. Tegenwoordig combineert Honig zijn werk als sportdocent in het vmbo met een succesvolle praktijk als gids, trainer en instructeur in de mountainbikewereld.
"Matthijs leidt nieuwe instructeurs en gidsen op"
Naast wekelijkse vaardigheidstrainingen voor groepen en clinics voor uiteenlopende organisaties, waaronder de NTFU, leidt hij ook nieuwe instructeurs en gidsen op. Zowel voor de breedtesport bij verenigingen als voor de commerciële markt verzorgt hij de didactische en technische onderbouwing.
De rode draad in al zijn lessen? De schijnbaar ingewikkelde techniek van het mountainbiken terugbrengen naar begrijpelijke, natuurkundige basisprincipes.
Het fundament van de piramide
Als je je wilt verbeteren, kom je al snel uit bij het bochtenwerk. Het aansnijden en doorkomen van een bocht wordt door veel mountainbikers als het meest uitdagende, maar ook het meest bevredigende onderdeel van de sport beschouwd.
"Als je je wilt verbeteren, kom je al snel uit bij het bochtenwerk"
Veel hangt af van de lichaamshouding op de fiets. Honig vergelijkt de ontwikkeling van de rijvaardigheid in bochten met een piramide. De brede, stevige fundering onder aan die piramide is de basishouding en zorgt voor de balans van de berijder. Pas wanneer die fundering rotsvast is, hebben andere factoren zin.
“Je kan de bandenspanning tot op de millibar nauwkeurig afstellen, een peperdure vering monteren of de ideale rijlijn uitstippelen, maar als de positie op de fiets niet klopt, loopt alles in de soep. De belangrijkste factor zit nog altijd bovenop het zadel. Als jouw basishouding en balans niet kloppen, ga je op lastig terrein onherroepelijk in de fout.”
1. Basis- en aanvalshouding
De juiste houding op de fiets kent twee belangrijke varianten: de basishouding en de aanvalshouding. De basishouding is een ontspannen, neutrale positie. De berijder staat op de pedalen, die horizontaal gehouden worden. De armen zijn licht gebogen, de benen bijna gestrekt en het lichaamsgewicht is gelijkmatig verdeeld. Dit is het vertrekpunt van waaruit elke actie op de trail begint.
Zodra de bocht of een technisch obstakel nadert, verandert de situatie en scan je de ondergrond. Is het een snelle, vlakke bocht, of juist een krappe, steile afdaling? Liggen er losse stenen, boomwortels of remkuilen? Afhankelijk van die factoren schakel je over naar de aanvalshouding: een lagere, actievere positie waarbij het zwaartepunt daalt en de ellebogen naar buiten worden gebracht om directe druk uit te kunnen oefenen.
2. Dropper seatpost
Om die actieve aanvalshouding én een gecontroleerde positie in de bocht optimaal uit te kunnen voeren, is de dropper seatpost een absolute uitkomst gebleken. Met één druk op de knop op het stuur laat je het zadel centimeters zakken.
In bochten levert dit een enorm voordeel op: het zadel zit niet langer in de weg bij je binnenste bovenbeen en heup. Hierdoor krijgt je lichaam de fysieke ruimte om diep te zakken, je zwaartepunt te verlagen én de fiets vrij onder je door te kantelen zonder dat je achter het zadel blijft haken. Het stelt je in staat om precies de juiste, actieve positie aan te nemen en je gewicht optimaal boven de pedalen te centreren voor maximale grip en stabiliteit.
3. Kijken waar je heen wilt
Nog voordat de bocht daadwerkelijk wordt ingestuurd, speelt de visuele sturing een beslissende rol. Het menselijk lichaam heeft de natuurlijke neiging om precies te sturen naar de plek waar de ogen op gericht zijn. Als je je blik strak op dat ene losse spoor of die gevaarlijke boomwortel in de bocht fixeert, rijd je er vrijwel gegarandeerd recht op af.
"Je rijdt waar je naar kijkt, zo simpel is het"
“Je rijdt waar je naar kijkt, zo simpel is het. Als je naar het obstakel kijkt dat je wilt ontwijken, dwing je je lichaam en fiets onbewust in die richting. Je moet je kijkafstand vergroten en door de bocht heen kijken, naar de uitgang van de bocht of zelfs al naar het volgende trailelement.”
Door ver vooruit te kijken, krijgen de hersenen de tijd om de ideale lijn te berekenen en past het lichaam automatisch de positie aan. De schouders en heupen draaien vanzelf mee in de richting van de kijklijn. Deze rotatie van het bovenlijf zet de initiële draaiing van de fiets in, nog voordat de handen bewust aan het stuur draaien.
4. Vóór de bocht remmen
Een ander cruciaal aspect dat nauw samenhangt met de bochtentechniek is de manier van remmen. Remmen is veel meer dan simpelweg de remhendels intrekken; het heeft een directe invloed op de balans en de grip van de fiets.
“De grootste fout die we zien, is remmen ín de bocht”, stelt Honig. “Wanneer je remt terwijl de fiets al schuin staat, blokkeer je de werking van de vering én dwing je de banden om tegelijkertijd te vertragen en zijdelingse krachten op te vangen. Dat is het moment waarop de band zijn grip verliest.”
"De grootste fout die ik zie, is remmen ín de bocht"
De gouden regel luidt daarom: rem vóór de bocht, wanneer de fiets nog recht staat. In de nadering van de bocht vertraag je gedoseerd, met beide remmen, naar de gewenste instroomsnelheid. Zodra het moment van insturen aanbreekt, laat je de remmen los. Hierdoor blijft de vering actief om oneffenheden op te vangen en kunnen de zijnoppen van de band al hun beschikbare grip gebruiken om de bocht te houden. Moet je toch bijremmen, doe dat dan enkel met de achterrem.
5. Bike Body Separation
Zijn de kijkrichting en de snelheid op orde, dan komt het kantelen van de fiets om de hoek kijken. Belangrijk in het mountainbiken is het scheiden van fiets en lichaam, ook wel Bike Body Separation genoemd. Veel fietsers hebben de neiging om als één star geheel samen met de fiets mee te leunen in een bocht. Zeker op een onverharde ondergrond is dit een recept voor glijpartijen.
De natuurkunde achter dit fenomeen is onverbiddelijk. Het menselijk lichaam is vele malen zwaarder dan de fiets zelf. Wanneer je samen met de fiets schuin gaat hangen op een vlakke, losse ondergrond, duwt het lichaamsgewicht de fiets onder je vandaan. De zwaartekracht en de centrifugale kracht werken op dat moment tegen de grip in, waardoor de wielen wegglijden.
“Bij mountainbiken moet je het zwaartepunt van je lichaam gescheiden houden van het kantelen van het frame. Je duwt de fiets als het ware onder je door naar binnen, terwijl je eigen lichaam relatief haaks op de ondergrond blijft. Zo dwing je de noppen op de zijkant van de band om zich in de bodem vast te bijten. Dit zorgt voor maximale mechanische grip en een gecontroleerde bocht.”
Wegwielrenner de mist in
Ook de beenbeweging speelt een cruciale rol. Soms zie je dat wegwielrenners het binnenste been naar buiten steken als een soort richtingaanwijzer. Dat is daar al ongewenst, laat staan in het mountainbiken. De benen vormen samen immers ruim een derde van het totale lichaamsgewicht. Wanneer een mountainbiker zijn binnenste been wijd uitsteekt, verplaatst hij een aanzienlijk deel van zijn gewicht naar de binnenkant van de bocht.
Dat is precies wat hij niet wil. Het buitenste been moet druk houden op het pedaal, terwijl de knieën de ruimte geven aan het frame om vrij onder het lichaam door te kantelen.
Angst overwinnen op grasveld
Hoewel de natuurkundige theorie helder is, stuiten veel fietsers in de praktijk op een mentale barrière. De schuine positie van de fiets voelt tegennatuurlijk. “Het is puur een mentale knop die om moet. Het voelt in het begin tegendraads om je fiets plat te gooien terwijl je zelf rechtop blijft. Maar zodra je ervaart hoeveel grip die zijnoppen geven, verandert je hele beleving van bochten rijden.”
"Het is puur een mentale knop die om moet"
Om die schroom te overwinnen, is er maar één remedie: de situatie ontleden en trainen in een veilige omgeving. Een licht hellend grasveld vormt hiervoor het ideale oefenterrein.
“Op gras is de snelheid laag en is het risico op letsel bij een eventuele val minimaal. Door zonder de druk van obstakels of hoge snelheden te oefenen met het naar beneden duwen van het stuur en het omhoog brengen van de buitenste elleboog, leer je de nieuwe beweging stapsgewijs aan.”
Nog een extra tip: “Stuur ook met je voeten. Bij een bocht naar links, laat je de voeten naar links draaien. En bij een bocht naar rechts doe je dat naar rechts. Uiteraard doe je dat in het geval van klikpedalen niet te ver.”
Meer info over het Nederlands Instituut voor Mountainbike Gidsen:
NIMG.NL
Tekst: Rik Booltink
Beeld: Egbert de Boer