Een bezoekje aan de wc van Nicole van Batenburg (32) verraadt meteen haar grote passie. De muren in het kleinste kamertje van haar appartement in Voorburg zijn behangen met honderden fietsen. In de boekenkast veel fietsboeken. Uiteraard
De Renner van Tim Krabbé, maar ook:
Ultra Distance Cycling en
Kampioenes op de fiets.
Zelf zit ze op haar favoriete stoel, de praatstoel. Maar voordat ze van wal steekt willen we weten waarom ze een ketting met het woord ‘Gelukszoeker’ draagt. “Dat komt uit een winkeltje in Amsterdam. Nu er zoveel haat is tegen asielzoekers, zorgen zij voor een tegengeluid. Dat spreekt me aan. En ik ben ook een gelukszoeker, al doe ik dat op de fiets.”
En dat doet ze nu acht jaar. Hoe het begon? “Ik ben heel simpel op een fietsje gestapt. Ik was 24 dus ben er best laat mee begonnen. Ik roeide in mijn studentetijd, deed ook veel aan hardlopen en heb op een redelijk niveau gehockeyd. Op een gegeven moment ben ik echt veel gaan hardlopen, ik deed zelfs in één jaar drie marathons. Dat brak me op, ik kreeg steeds vaker blessures.
“Ik ga morgen van Den Haag naar Amsterdam fietsen!”
Toen zei een vriend: “Moet je niet een keer gaan fietsen?” Ik ben me daarin gaan verdiepen en heb een redelijk goede fiets gekocht, in Den Haag. Toen ik hem ging ophalen zei ik tegen mijn ouders: “Ik ga morgen van Den Haag naar Amsterdam fietsen!” Ze keken alsof ze water zagen branden. “Moet je niet eerst een klein rondje proberen?”, stelden ze voor. Maar ik dacht: ik stap gewoon op de fiets, volg de bordjes Amsterdam, zo red ik me wel. Mijn vader zei ook nog: ‘Dit moet je echt niet doen, jij bent veel te onhandig, jij valt en je breekt alles, niet aan beginnen!’”
Vier boterhammetjes
Ze begon er wel aan. “Ik vond het geweldig”, zegt ze enthousiast. “Ik was echt verkocht. Ik ben heel druk in hoofd, heb veel energie, en dan is het fijn dat je op de fiets gewoon uren kunt blijven bewegen. Ik werd ook niet echt moe van het ritje naar Amsterdam.” En dus besloot ze niet veel later, nadat ze op zaterdag de halve marathon van Leiden had gelopen, op zondag naar haar vakantievierende ouders op Schiermonnikoog te fietsen, een kleine 200 kilometer.
“Ik had alleen vier boterhammetjes mee, dat was geen goede voorbereiding”, zegt ze lachend. “Mijn telefoon was ook snel leeg, dus geen navigatie, en toen ben ik gewoon zo veel mogelijk naar het noorden gefietst. Ik voelde ook wel druk want ik moest de boot zien te halen. Ik was ook nog gevallen met allerlei schaafwonden tot gevolg. Een minuut voordat de laatste veerboot vertrok, kwam ik aan. De boel ging al dicht dus ik roep: ‘Meneer mag ik ook mee?’ Hij zag een bezwete vrouw met bloedsporen en hoofdschuddend liet hij me erop. Het was een superavontuur en ik was helemaal kapot.
Vier dagen later stelden mijn ouders voor dat ik met hen mee zou rijden, de fiets kon wel achterin. No way, ik wilde terugfietsen! Ik vond fietsen gewoon helemaal het einde, ik had de tijd van mijn leven. Het heeft mijn leven voorgoed veranderd. Vrienden herkenden me niet meer, werden ook gek van mijn verhalen. Af en toe ging ik ook op de fiets naar verjaardagen en dan moest mijn Cube altijd bij ze in de gang staan, dat zorgde ook vaak voor gefronste wenkbrauwen.”
"Fietsen werd steeds leuker, en Nicole steeds ambitieuzer"
Fietsen werd steeds leuker, en Nicole steeds ambitieuzer. “Ik ging met Rapha meefietsen, het kledingmerk dat gezamenlijke tochtjes organiseert. Ik zag die social rides als een wedstrijdje dus ik maakte dan flink tempo. ‘Hey Nicole!’ riepen ze dan, ‘ga eens even gezellig doen!’ Maar omdat ik harder en harder wilde, ben ik met de mannen gaan rijden en later heb ik me aangesloten bij de Amstel, en ben ik wedstrijden gaan rijden.”
De competitieve drang werd zo sterk, dat Nicole zelfs droomde van een leven als profwielrenner, net als haar vriendin Tessa Neefjes. “Maar dat was achteraf toch niet iets voor mij geweest, want daarvoor heb ik een te brede interesse. Ik wilde niet alles opgeven voor de sport. Eerlijk gezegd vond ik het ook doodeng om in het peloton te rijden. Ik verheugde me er altijd meer op om de route naar de startplaats toe te bedenken en te rijden, dan op de wedstrijden zelf.”
Hulpeloos
En voor het eerst maakte ze kennis met de hel. “Ik had mijn eerste wedstrijd na corona in Veldhoven en direct na de start begon het keihard te regenen. Na tien minuten maakte ik een flinke smak en brak ik mijn sleutelbeen. Ik moest mee met de ambulance mee, belandde in het ziekenhuis, had geen telefoon bij me, kon dus niemand bereiken, wat vóelde ik me hulpeloos!
Mijn vader zei: ‘Je moet toch echt goed nadenken wat je nou allemaal aan het doen bent.’ Dat raakte me. Ik had ook net een vaste baan en kon natuurlijk niet om de haverklap zeggen: ik ben geopereerd, ik kom een paar weken niet. En ik was gaan fietsen omdat ik het avontuur leuk vind, veel leuker dan die rondjes om de kerk.”
Huilen van geluk
De wedstrijden werden afgezworen. Nicole koos voor het avontuur. Ze besloot weer lange afstanden te fietsen. “Ik ben toen provincierondjes gaan rijden”, zegt ze. “Langs de grens van Noord-Holland, of Utrecht, maar ook Zuid-Holland, en die is wel 320 kilometer. Limburg zelfs 470. Was ik met een groepje bekenden om drie uur ’s middags begonnen en kwamen we de volgende dag aan. Gewoon een nacht doorgefietst, ik vond het geweldig. Een paar jongens waren er toen wel klaar mee, maar ik niet. Ik wilde nog wel 100 kilometer.”
"Inmiddels heeft ze 11 ultra’s gereden en dan leer je de hel wel kennen"
Inmiddels heeft ze 11 ultra’s gereden (The Race Around the Netherlands won ze) en dan leer je de hel wel kennen. En die hel nestelt zich op haar zitvlak. “Dat is het enige dat me dwarszit”, zegt ze. “Ik heb weleens pijntjes, maar daar fiets ik doorheen. Maar die pijn op mijn zitvlak is niet te doen en speelt altijd weer op. Het wordt daar schraal, er ontstaan wondjes en de pijn is ondraaglijk. Ik heb van alles geprobeerd, maar niets helpt.”
Liever praat ze over de hemel. “Ik heb weleens een tocht in de Pyreneeën gefietst. Dan is het ’s ochtends vroeg, het uitzicht is adembenemend en je ziet de zon in alle kleuren. Ik kan dan gewoon huilen van geluk. Het enige waar ik dan mee bezig ben is trappen, eten en drinken. Ik vind het leven gewoon veel makkelijker op een fiets.”
"In Italië fietste ik vorig jaar oktober om half één nachts door de bossen en toen brak er een spaak"
Maar soms zit het tegen. “In Italië fietste ik vorig jaar oktober om half één nachts door de bossen en toen brak er een spaak. Ik was helemaal alleen, pikkedonker, in
the middle of nowhere. De nippel van die kapotte spaak stak door mijn velg waardoor ik steeds weer een platte achterband had. Het klinkt als drama, maar ik moest erom lachen. Ik dacht: ja joh, je zoekt deze situaties zelf op, dan los je het ook maar op. Uiteindelijk ben ik in een dorpje terecht gekomen, daar heb ik geslapen en de fiets laten maken.”
Dan loopt ze naar de boekenkast en pakt
De Renner van Krabbé. “Een van de eerste fietsboeken die ik las. Ik denk vaak aan die beroemde passage: ‘Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’
Daar ben ik het zo mee eens. Tegelijk schaam ik me dan, want andere levens mogen er ook zijn. Maar je mist zoveel als je niet fietst.”
Tekst: Thomas Braun
Beeld: Marc Bolsius