De frames zijn zo licht als een cracker, de wielsets dieper dan een Zuid-Limburgs dal en de prijskaartjes zorgen ervoor dat je van je stoel valt. Maar hoeveel sneller is zo'n superbike van €15.000 of meer nu écht ten opzichte van een keurige racefiets van €1.500? Het antwoord zal veel renners verbazen.
Eerst het goede nieuws voor je portemonnee
Laten we beginnen met de feiten. Want fabrikanten schermen graag met kreten als"19 watt sneller" of"één minuut winst per uur". Dat klinkt fantastisch, maar zulke claims zijn meestal gebaseerd op vergelijkingen met eerdere modellen en gemeten onder ideale omstandigheden.
Een van de meest gerespecteerde onafhankelijke bronnen is het Duitse
TOUR Magazin, dat al jarenlang racefietsen in dezelfde windtunnel test. Daaruit blijkt dat de snelste moderne aerofietsen rond de 195 watt weerstand vragen bij hun standaardtest, terwijl minder aerodynamische racefietsen vaak tussen de 220 en 240 watt uitkomen. Het verschil kan dus oplopen tot enkele tientallen watts. Dat klinkt indrukwekkend. En dat is het ook. Maar er zit een belangrijke nuance aan.
De renner bepaalt
De meeste recreatieve fietsers overschatten de invloed van hun fiets en onderschatten de invloed van zichzelf. Onderzoeken naar aerodynamica laten zien dat ongeveer 70 tot 80 procent van de luchtweerstand afkomstig is van de renner en niet van de fiets. Je schouders, romp, armen en hoofd vormen simpelweg een veel groter obstakel voor de wind dan een frame.
Dat betekent dat:
- Een betere fietspositie vaak meer oplevert dan een duurder frame
- Een strak wielershirt meer snelheid kan geven dan een nieuwe cockpit
- Een aerohelm soms meer verschil maakt dan duizenden euro's aan carbon upgrades
Niet zo sexy als een gloednieuwe superbike misschien, maar wel een stuk vriendelijker voor de bankrekening.
Wat betekent dat op de weg?
Stel dat je solo 35 km/u rijdt op een vlak parcours. Dan kan een moderne topfiets je enkele watts besparen ten opzichte van een eenvoudige racefiets. In de praktijk levert dat vaak slechts tientallen seconden voordeel op tijdens een rit van 40 kilometer.
Met andere woorden: na anderhalf uur fietsen ben je niet ineens minuten sneller omdat je fiets een kleine gezinsvakantie heeft gekost. Sterker nog, als je onderweg even stopt voor koffie met appeltaart dan verdwijnt dat hele voordeel sneller dan een bidon in een warme Tour-etappe.
En hoe zit dat in de bergen?
Hier komen we bij een onderwerp waar veel wielrenners bijna religieuze gevoelens bij krijgen: gewicht. Een Tourfiets weegt vaak rond de UCI-limiet van 6,8 kilo. Een nette racefiets van €1.500 komt al snel rond de 10 kilo uit. Dat lijkt een gigantisch verschil, maar de vraag is vooral: waar fiets je?
Neem de Alpe d'Huez. Deze beroemde klim is 13,8 kilometer lang en stijgt gemiddeld 8,1 procent. Op zo'n klim moet de zwaartekracht serieus worden bestreden. Voor een fietser van ongeveer 75 kilo kan een gewichtsverschil van 3 kilo tussen twee fietsen zomaar één tot enkele minuten voordeel opleveren. Genoeg om een persoonlijk record te rijden of je klimmaatjes tijdens de après-bike subtiel te herinneren aan je superieure materiaal.
Hoe beïnvloedt je gewicht jouw klimtijden? De verderlicht Marina en boomlange Ard zochten het uit.
Maar verplaats dezelfde fietsen naar de Posbank, dan verandert het verhaal drastisch. Onze vaderlandse cols zijn relatief kort en het overwinnen daarvan kost slechts enkele minuten. Het gewichtsvoordeel van een ultralicht frame levert dan meestal slechts seconden op. Soms zelfs minder. Een verkeerd gekozen versnelling of een iets te enthousiaste start kost vaak meer tijd dan die paar kilo extra.
Dat is ook precies waarom veel moderne profs steeds vaker kiezen voor een aerofiets in plaats van een pure klimfiets. Buiten de allerzwaarste bergetappes blijkt de strijd tegen de wind vaak belangrijker dan de strijd tegen de zwaartekracht.
Waarom rijden profs dan op zulke dure fietsen?
Omdat op WorldTour-niveau alles draait om marginal gains. Voor Mathieu van der Poel kan één seconde het verschil betekenen tussen eeuwige roem op de Champs-Élysées of een plek buiten het podium. Voor de gemiddelde toerrijder betekent één seconde meestal dat de koffie iets eerder op tafel staat.
Profs rijden bovendien harder, langer en vaker in de wind. Juist bij snelheden boven de 40 km/u worden aerodynamische voordelen steeds waardevoller. Daarom investeren ploegen tonnen in materiaalontwikkeling.
De grootste marginal gain zit meestal niet in carbon
De conclusie van dit verhaal. Wanneer je €2.000 investeert in een goede bikefit, een goede trainer, snelle banden en kleding, dan win je waarschijnlijk meer dan dat je hetzelfde bedrag uitgeeft aan een (nog) duurdere fiets. Ja, de fietsen van Tourrenners zijn sneller, maar voor de meeste Nederlandse fietsers geldt:
- Op de Posbank win je meer met training dan met titanium boutjes.
- Op vlakke wegen is aerodynamica meestal belangrijker dan gewicht.
- En in alle gevallen blijft de motor belangrijker dan het materiaal.
Dus kijk gerust met bewondering naar al dat prachtige Tourmateriaal, maar ben ook tevreden met je eigen fiets. Die is zo slecht nog niet. En mocht je tóch besluiten een fiets van €15.000 te kopen? Vertel thuis vooral hoeveel watt je hebt bespaard. Niet hoeveel euro.