In 2018 legde ik mezelf al eens de opdracht op om een route uit te stippelen die de grens van 2000 hoogtemeters doorbreekt, in zo min mogelijk kilometers. Zonder dat de route zichzelf kruist, zonder een klim dubbel te rijden, zonder tegen de rijrichting in te gaan en volledig op Nederlands grondgebied. Op papier lijkt het overzichtelijk, in de praktijk blijkt Zuid-Limburg onder die voorwaarden één grote puzzel. Het lukte destijds: 116 kilometer en 2068 hoogtemeters, waarbij de teller na 108 kilometer op 2000 stond. Voor Fietssport kruip ik opnieuw achter de tekentafel. De oude route zomaar herhalen is voor mij geen optie. Het moet beter: compacter, met nóg meer hoogtemeters in minder kilometers.
Zo’n route bouw je niet door wat bekende klimmetjes aan elkaar te rijgen. Het zit in het spel met de hoogtelijnen. Wegen moeten net anders op elkaar aansluiten en sommige beklimmingen werken pas echt als je ze van een minder voor de hand liggende kant oprijdt. Dáár begint het puzzelen. Het resultaat is een compacte ronde van 117 kilometer met ruim 2200 hoogtemeters en 30 klimmetjes. De zwaarte zit niet in één klim, maar in de opeenvolging. Juist daardoor kijk en fiets je hier anders dan je gewend bent.
Klimmen begint met dalen
We starten in Klimmen. Een toepasselijker vertrekpunt is er haast niet, al krijgen we de eerste kilometers nog even respijt. In Heek volgt een eerste opwarmertje. Valkenburg laten we links liggen en via de Goudsberg loopt het asfalt alweer op en rijden we naar Schin op Geul. Gemiddeld negentien hoogtemeters per kilometer, dan weet je genoeg: deze route geeft niets cadeau. Beklimmingen volgen elkaar razendsnel op, te kort om een cadans te vinden en afdalingen te kort om echt te herstellen.
Neus op de feiten
Na zestien kilometer lonkt het beest al: de Keutenberg. Een tikje gemeen misschien om hem zo vroeg in de route te leggen, maar geloof mij: liever nu dan in het laatste uur. De klim trekt de groep meteen uit elkaar. Ieder zijn eigen tempo. Op de vals platte uitloper zakt de verzuring even, voordat we steil het Geuldal induiken. De snelheid loopt daar ongemerkt hoog op en beneden kan het druk zijn met fietsers en wandelaars. Even opletten dus.
In het Geuldal schakelen we meteen weer door: aan de overkant loopt het direct op richting Elkenrade. De klim is onregelmatig. Kort daarna misschien wel het mooiste strookje asfalt van de regio: de Dikkebuiksweg. Een verborgen parel die met de glooiing van het landschap meebeweegt. En alsof dat nog niet genoeg is, duiken we via de Eyserbosweg weer naar beneden — onwennig en tegen de logica in, maar precies wat deze route zo anders maakt.
Klein Toscane
Via Eyserhalte, waar de cipressen boven de heuvelrug iets van klein Toscane oproepen, steken we over richting Gulpen. Hier wordt pas echt duidelijk hoe deze route in elkaar steekt: iedere keuze staat in dienst van de puzzel en leidt tot maximaal hoogtemeterrendement.
De Gulperberg tekent zich als een kaarsrechte streep af. Alleen al de aanblik boezemt ontzag in. Achter me klinkt het veelzeggende: toch niet de Gulperberg? Nog niet. We rijden eerst door naar de Beversberg, verscholen achter een woonwijk en precies het soort klim dat deze puzzel nodig heeft. Daarna is het alsnog raak. Rechtsaf en meteen zeventien procent; kort, maar zonder pardon. Boven op de Panoramaweg is er even tijd om het dal in te kijken en de bidons aan te spreken. In Euverem pakken we nog een extra klim mee, waarna we via de Piemert Slenaken binnenrollen.
Verrassend perspectief
De Loorberg pakken we maar half mee. In mijn wiel klinkt al wat gezucht en gesteun wanneer ik mijn hand naar links uitsteek. Alsof het nog niet genoeg is, snijden we via het steile Kersenpad nog wat extra meters af. Voor de route is dat winst, voor de benen minder. Een uitdaging mag best een beetje schuren.
Via Hurpesch, Helle en Bommerig verandert het decor. Langs de rand van het Vijlenerbos rijgen vakwerkhoeves en smalle wegen zich aaneen. Geen klinkende namen, maar wel de stukken die deze route net dat beetje extra geven. Ook Juriaan, als ‘local’, kijkt er onderweg bijna verbaasd naar. Waar je normaal gedachteloos een bekende klim opdraait, slaan we nu af om hem van een andere kant te benaderen. Zelfs voor hem voelt dit als een herontdekking in de achtertuin.
Lange adem
Plotsklaps bereiken we de voet van de Camerig. Met zijn 3,7 kilometer de langste beklimming van Nederland. Tot aan het café venijnig, daarna golvend tot de top. Vergeet ondertussen niet tussen de bomen door te kijken, het uitzicht op de Belgische heuvels is magnifiek.
De glooiende weg naar Vijlen voelt haast vlak. Het tempo gaat omhoog, de benen krijgen eindelijk wat respijt. Lang duurt dat niet, want de weg loopt alweer op. Alsof geen enkele hoogtelijn hier ongestraft voorbij mag gaan. Dat bewijst de Kruisberg. Recht omhoog, meteen omlaag en daarna doodleuk terug dezelfde heuvelrug op. Geen mens zou dit zo uittekenen, maar juist dat maakt deze route zo uitdagend.
Geen cadeaukilometers
Op het plateau krijgen we Eys weer in het vizier. De Eyserbosweg is al verbruikt, dus kiezen we zijn vriendelijke broertje: de Trintelerberg. Een juweeltje, maar echt tijd om te genieten is er nauwelijks. De inspanning hakt erin, de gaten in de groep worden groter en het is steeds meer ieder voor zich. Bij de waterput stoppen we om te ravitailleren en werpen we een blik op het resterende hoogteprofiel. De kilometers gaan we niet cadeau krijgen.
Wanneer we weer op gang trekken, vat Marc treffend samen wat deze route zo listig maakt. “Nauwelijks rust en werken voor ieder meter. Juist als local kruipt dat in de kleren. Door mijn terreinkennis denk ik steeds te weten wat er komen gaat, maar keer op keer pakt het toch net anders uit.”
Mentaal spel
In en om Simpelveld komen alle ingrediënten van deze route samen. Vier beklimmingen in acht kilometer, geen ruimte voor herstel en telkens weer een extra lus om nog wat meters uit dezelfde flank te wringen. Het past perfect bij het thema Pieken & Dalen van deze editie. Niet alleen op de weg, ook in het hoofd. Het ene moment denk je dat je de slag te pakken hebt, even later zakt de moed je alweer in de schoenen.
Op de Oude Huls krijg ik dat zelf vol voor de kiezen. Nog geen vijf minuten eerder trapte ik door de boter, nu laveer ik naar boven. Kort daarna volgt alweer een opleving. Hoe dat werkt, mag Joost weten, maar diep in de rit gebeuren dit soort dingen.
Klimmen tot de laatste meter
Net na Winthagen doorbreken we na 105 kilometer de barrière van 2000 hoogtemeters. Nog een paar keer op en af, nog een paar keer over landbouwwegen die je normaal zou laten liggen, maar die hier naadloos in de puzzel vallen.
Jeroen lacht dat het een echte kriskras links-rechts-linksroute is. Joep ziet vooral de logica erachter: binnen Nederlands grondgebied blijven, de grotere wegen mijden en toch overal hoogtemeters blijven meepakken. Deze route laat niets liggen.
Langs de wijnranken op de Fromberg overschouwen we een laatste keer het strijdtoneel waar het gevecht met de hoogtelijnen succesvol zijn aangegaan. Op de top kunnen we de finish al zien liggen. Op het gemak rollen we door Ransdaal. Nog twee kleine pukkeltjes tot de eindstreep, niemendalletjes na zo’n rit.
Tot de laatste meter blijven we klimmen. Na 117 kilometer en 2232 hoogtemeters drukken we af. Zwaar? Zonder twijfel. Maar juist daarom voelt deze route als een overwinning op jezelf. Wie een uitdaging zoekt die anders is dan anders en zich wil laten verrassen door een ander perspectief op Zuid-Limburg, vindt hier een ronde die lang blijft hangen.
+ Verrassingseffect hoog
+ Grote kans op nieuwe ontdekkingen
+ Grensverleggende uitdaging
+ Genoeg tussenstops onderweg
+ Volledig geasfalteerd
- Fysiek zwaar: zoek je eigen tempo
- In groep rijden kan, maar bij grote niveauverschillen kan het wachten zwaar doorwegen
- De afdalingen vragen opperste concentratie; sommige delen zijn behoorlijk technisch
- Met slechte benen zakt de moraal snel