Midden in de woonkamer staat op een tafeltje een bord met de geschreven tekst ‘ik ben de Slimste’. Het ornament heeft iets weg van een sinterklaassurprise. Presentje van vrienden? “Nee, natuurlijk niet!”, lacht Brankele Frank (39) hardop en ze kijkt het bezoek aan alsof ze vandaag met de domste mens te maken heeft. “Dit is de enige echte wisseltrofee! Gemaakt door keramiekkunstenaar Koos Buster. Hij heeft het gemaakt met het idee dat je bij voetbal de cup met de grote oren kunt winnen, of een kampioensschaal. Hij heeft er een schaal met grote oren van gemaakt.” Mooi? Weer die lach: “Er zijn mensen die hem heel lelijk vinden, ik vind hem heel leuk omdat ‘ie speciaal voor ‘de Slimste’ gemaakt is en niet zo’n standaard trofee is die je krijgt als je een bowlingtoernooi wint.” En hij staat pontificaal in de kamer zodat ze zich elke ochtend opnieuw weer de slimste voelt? “Precies! En dat het niemand die hier komt kan ontgaan. Het jammere is wel is dat ‘ie terug moet omdat er alweer een nieuwe winnaar is.”
Dan valt ons oog op haar fiets, die staat ook midden in de kamer. Een Isaac. “Het is eigenlijk een mannenfiets”, zegt de eigenares. “Ik wilde een tweedehands en de zaak waar ik was had deze beauty staan. Ik heb hem toen maar gewoon gekocht maar kreeg al snel last van mijn schouders. Ik heb toen een bikefitting gedaan en het zadel is aangepast, heb er een kortere stuurpen op gezet, het stuur zelf wat gekanteld, maar ja, dat is allemaal millimeterwerk. De fiets past gewoon niet bij mijn lijf, mijn bovenlichaam is te kort. Ik ga binnenkort kijken voor een andere. De bikefitter raadde een Trek Madone aan.” Die zal ze, net als de Isaac nu, drie Amsterdamse trappen op en af moeten sjouwen. “Ja, dat is gedoe. Ik heb geen schuur of berging. Ik woon hier nu anderhalf jaar en fiets minder omdat ik dat tillen in dat smalle trapgat elke keer zo’n gezeik vind.”
Mont Ventoux, altijd leuk
Eigenlijk was Brankele helemaal geen fietser. Haar vader wel. Die reed lange stukken en als de Tour de France werd verreden stond de hele dag de tv aan en werd de rest er zo nu en dan bij geroepen met een enthousiast ‘kijk, kijk, kijk!’. Hij is nu 83 en fietst nog veel en hard, volgens zijn dochter. “Het concept wielrennen ken ik dus wel al van jongs af aan. Ik heb ook warme herinneringen aan dat gerikketik van zo’n achterwiel, dat doet me altijd denken aan vroeger, dat mijn vader terugkwam van een ritje.” En hoe gaat dat met vaders? Die willen dat hun kinderen ook gaan fietsen. En dus kocht hij een mini-racefiets voor de zesjarige Brankele. Konden ze op vakantie in Bédoin mooi een stukje van de Tour rijden. De Mont Ventoux, altijd leuk. “We zijn toen inderdaad bergop gegaan, ik denk zo’n 200 meter, langer hield ik het echt niet vol. Toen zijn we aan de kant gaan staan en hebben gewacht tot de renners voorbij kwamen. Ze kwamen langs en weg waren ze weer. Ik was echt een beetje boos op ze, daar had ik nou al die moeite voor gedaan! Ben ik 200 meter lang helemaal naar boven gefietst en dan waren zij gewoon na een paar seconden alweer verdwenen. Ik vond dat zó oneerlijk.”
Ik heb warme herinneringen aan dat gerikketik van zo’n achterwiel. Doet me denken aan vroeger, dat mijn vader terugkwam van een ritje.
Ze was er gelijk klaar mee, tot treurnis van pa. Maar twee decennia later, de neurobioloog was inmiddels 27, kreeg een collega haar wel behoorlijk gek. “Hij spoorde me aan om me op te geven voor een olympische triatlon, dus anderhalve kilometer zwemmen, 40 kilometer fietsen en tien kilometer rennen. Tot dat moment had ik nog nooit gezwommen, op een beetje schoolslag na. Aan wielrennen had ik ook nog nooit gedaan, maar ik wilde de uitdaging wel aangaan en toen heeft mijn vader een fiets voor me gekocht. Ik vond die triatlon uiteindelijk verschrikkelijk, maar het fietsen ben ik blijven doen. Ik heb me zelfs aangesloten bij VWA, Vrouwenwielrennen Amsterdam. Ik wilde alles leren: hoe je bochten aansnijdt, in een peloton moet rijden, moest sprinten… En ik vond het leuk om met andere mensen te fietsen.”
Tour de Chardonnay
Het werd van kwaad tot erger, eerst waren er de ritjes door natuurgebied de Rondehoep, later dagtochten en klassiekers als de Amstel Gold Race. “Ik fiets nu een minder omdat het me aan tijd ontbreekt, maar ik heb vorig jaar wel nog een flinke bikepacktocht gedaan door Frankrijk met een vriend. We noemden het de Tour de Chardonnay want na de dagelijkse 100 kilometer was het altijd weer tijd voor wijn.” En met haar vader en broer beklom ze onder meer de legendarische Stelvio, de Mont Ventoux (nu helemaal) en de Col di Nivolet, in de Aostavallei. “Waanzinnige bergen”, zegt ze enthousiast. Maar er is ook een maar. “Bovenop de Stelvio stonden heel veel mensen, motorrijders, mensen met oldtimers, toeristen die met de bus boven waren gekomen… Maar niemand keek naar me om. Geen applausje, niemand die zei hoe knap het was wat ik zojuist gepresteerd had. Wat een anticlimax!”
Toch is er veel voldoening. Fietsen is zo fijn voor het hoofd. Dat zegt iedereen die regelmatig fietst, maar wat zegt de expert? Want dat is Brankele Frank, die de podcast
Let’s go mental maakt, naar aanleiding daarvan door
Eva werd gevraagd om iets te vertellen over het brein in relatie tot muziek en een dag later voor
De Slimste Mens werd benaderd. Bovendien schreef ze het boek
Over de kop, over haar burn-out, dus ze weet ook hoe het is als het mis gaat in de bovenkamer. Wat doet fietsen met háár hoofd? “Het hangt er een beetje vanaf of ik goed getraind ben. Als ik amper getraind ben, vind ik fietsen lang niet altijd fijn. Maar over het algemeen voel ik de drukte in mijn hoofd afnemen als ik fiets. Ik ben een enorme denker en piekeraar en kan verstrikt raken in mijn eigen web. Fietsen helpt heel erg om daar een beetje uit te geraken en om meer in mijn lichaam te zitten. En als ik op de fiets wél nadenk, dan kunnen alle emoties die ik daarbij voelde, zoals frustraties omdat iets al dagen niet lukt, op de fiets een kracht opleveren. Dan is fietsen echt een uitlaatklep.”
Er komt dan lucht in de zaak? “Ja. Als je aan het werk bent, of je probeert andere dingen te bereiken, dan is je taakgerichte hersennetwerk actief, je
executive control network. Dat zorgt ervoor dat je prefrontale cortex, waarmee je nadenkt, goed gecruncht wordt en dat die z’n kunstjes kan doen. Maar als je een repetitieve bezigheid uitvoert, zoals fietsen – je doet immers de hele tijd dezelfde beweging op de automatische piloot – dan wordt er een ander netwerk actief in je hersenen, het
default mode network. Dan word je creatief. Ook tijdens het douchen of uit het raam staren ontstaat creativiteit omdat je dan dat andere hersennetwerk activeert. Dat gebeurt niet als je in het taakgerichte uitvoernetwerk zit. Dat kunnen je hersenen dan niet.”
Buiten fietsen in de winter is echt
een lekkere vorm van afzien
Lekker afzien
En wat heeft het haar gedaan voor het herstel van haar burn-out, die zij tien jaar terug opliep? “Fietsen? Niet zoveel. In het begin fietste ik helemaal niet, daarvoor is het veel te intensief. Als je helemaal aan de grond zit moet je niet jezelf weer zo de adrenaline in werken. Later ben ik wel weer gaan fietsen en dat heeft me sportief en gezond gehouden. Ik heb ook in de winter buiten gefietst, en dat is toch ook anders dan in de ‘gym’ sporten, zonder de natuur om je heen en zonder de frisse buitenlucht. Buiten fietsen in de winter is echt een lekkere vorm van afzien.”
Sommige mensen zeggen dat ze gek worden als ze niet kunnen sporten. Hun hoofd heeft het nodig. Brankele: “Je hebt als mens zeker beweging nodig. Maar het hangt ook af van je conditie en gewoontes. Als jij je leven lang al veel sport ga je dat enorm missen als je dat niet meer doet. Ga je je leven lang hooguit één keer per maand met de grootst mogelijke moeite naar de sportschool, dan zul je daar minder moeite mee hebben. Maar je kunt wel echt verslaafd raken aan het gevoel dat je krijgt van sporten. Je maakt endorfines aan, dat zijn lichaamseigen pijnstillers die heel lekker voelen. Je maakt dopamine aan omdat je iets lekkers doet voor je lichaam en het fijne gevoel wat dat oplevert ervaar je vooral ná het sporten. Ik vind het zo moeilijk uit te leggen aan vrienden waarom ik zo graag twee uur een berg op fiets, wat toch voornamelijk pijn lijden is. Ik kom dan niet veel verder dan dat het heel mooi is, in de bergen, en zeg dan: na de rit jongens, is het hémels!”

Wat dat betreft is fietsen een beter medicijn dan antidepressiva. Of wil de neurobioloog zo ver niet gaan? “Nou, bij wandeltherapie en rentherapie zijn goede resultaten behaald bij mensen met een depressie. Eigenlijk kun je het beste allebei doen. Je hebt sowieso mensen voor wie antidepressiva niet helpen en ook al wordt het als medicijn geoormerkt. We weten nog steeds niet precies hoe het werkt. Het werkt maar voor een derde van de patiënten. De combinatie van bewegingstherapie en medicijnen – of praattherapie – is het meest effectief bij de meeste mensen. Los van de gevallen waarbij je echt medicatie moet inzetten. Maar feit is dat mensen vaak opknappen als ze hun lijf in beweging zetten. Vaak zijn mensen met een depressie zo inactief, die krijgen zichzelf niet eens meer uit bed. Hun hele systeem is stilgevallen en het is heel zwaar om dat weer op gang te brengen, ook cognitief. En bewegen door middel van rennen of fietsen is een heel goede manier om het hele systeem weer aan te zwengelen.”
Brankele Frank mag zichzelf ook wel weer wat aanzwengelen, als het om fietsen gaat. Een volle agenda houdt de fiets te vaak op drie hoog. Ze heeft net weer een boek geschreven,
Het Grote Ontprikkelboek, en wordt veel gevraagd voor lezingen en televisieoptredens. Misschien gaat ze morgen weer fietsen, maar niet te vroeg: “Ik snap die mensen niet die om negen uur al gaan fietsen… Ik heb daar zo’n schijthekel aan! Ik start liever ’s middags.” Dat deed ze ook toen ze ooit de Mont Ventoux beklom. Als ze daaraan denkt wordt ze weer boos op die ene mevrouw die haar voorbij reed. “Ik was al bijna bij die zendmast op de top. Werd ik vlak voor de finish ingehaald door een vrouw, terwijl ik helemaal aan het kapot gaan was en alleen nog maar kon vloeken en schelden. Ze ging me zo makkelijk voorbij, ik dacht dat ik gek werd. Bleek ze een elektrische fiets te hebben! Ik vond dat zo’n belediging, ik vond echt dat ze me daar, op dat moment, met een e-bike, niet had mogen inhalen. ‘Gewoon even wachten jij’, wilde ik nog zeggen, want je maakt mij nu gewoon mentaal kapot!” Dan volgt een stilte. En een schaterlach.